Knolkervel of knolribzaad Chaerophyllum bulbosum is een groente uit de schermbloemenfamilie (Apiaceae). Ondanks de naam is er geen enkele verwantschap met kervel. Het knolribzaad werd tot het begin van de 19de eeuw veel geteeld in Europa, maar later verdrongen na de opkomst van de aardappel.
Knolkervel kan 1 tot 2 m hoog worden en bloeit van juni tot augustus met kleine witte bloemschermen met 15 tot 20 stralen.
Knolribzaad heeft een gladde, holle stengel die onderaan stekelig behaard is en rode vlekken heeft. Hogerop is de stengel kaal, blauwachtig berijpt en voorzien van rode strepen. Onder de knopen is de stengel verdikt. De bladeren zijn drie- of viervoudig geveerd en aan de onderzijde behaard.
Knolkervel afkomstig van de Kaukasus, komt in België niet voor in het wild , maar in Nederland en Duitsland kan je hem vinden langs de oevers van grotere rivieren. Deze vergeten groente wordt geteeld omwille van zijn eetbare knol.
Knolribzaad groeit het beste op natte, voedselrijke gronden.
Het is een "koude kiemer", het zaad moet dus een vorstperiode gehad hebben om te kunnen kiemen.
Zaai daarom in het najaar of zet de pot met de zaden even (een paar dagen is reeds voldoende) in het vriesvak van uw koelkast bij een temperatuur van ± -6°C.
Plant na opkomst en als de zaailingen handelbaar zijn uit in de volle grond van uw tuin. Zet ze ergens op een verloren hoekje rekening houdend met de grondgesteldheid zoals hierboven vernoemd.
Na acht à negen maanden kunt u de korte, stevige, donkere penwortel van ongeveer 10 cm groot oogsten. Deze knollen variëren in vorm van bolrond tot langgerekt en zijn van binnen wit.
Wil men graag een grotere knol, dan de kleine knolletjes direct na het oogsten opnieuw planten en na 12 maanden haalt men grotere knollen uit de grond.
Knolkervel smaakt helemaal niet naar kervel maar heeft zachtzoete naar kastanje neigende smaak.
De knol kan niet rauw gegeten worden, hij moet eerst gekookt of gestoofd worden. Gekookt is hij zeer smakelijk. De knol is eiwit- en zetmeelrijk en heeft een zachtzoete smaak die neigt naar kastanjes.
De bladeren van de knolkervel zijn licht giftig. De wortels kan je stoven, koken, pureren, in een soufflé of in een soep verwerken.
Knolkervel is zeer geschikt, om er een lekkere puree van te maken. In combinatie met een (vlees-)stoofschotel een ware delicatesse. De knollen wassen, in stukken snijden en gaar koken met een beetje zout in ca. 15 minuten. Daarna pureren, scheutje melk erdoor roeren en een klontje boter.
Al in 1600 werd in diverse Franse geschriften gesproken over de knolkervel, maar volgens andere bronnen werd de knol pas in 1846 in Frankrijk geïntroduceerd en een eeuw later, in 1986 op wat grotere schaal op de markt gebracht.
Knolkervel | |
---|---|
![]() Behaarde stengel van knolkervel |
|
Taxonomische indeling | |
Rijk | Plantae (Planten) |
Stam | Embryophyta (Landplanten) |
Klasse | Spermatopsida (Zaadplanten) |
Clade | Angiospermae (Bedektzadigen) |
Clade | 'nieuwe' tweezaadlobbigen |
Clade | Campanuliden |
Orde | Apiales |
Familie | Apiaceae (Schermbloemenfamilie) |
Geslacht | Chaerophyllum |
|
Ingrediënten 4 pers.
Bereiding